Ziekten en plagen

BodemziektenAls je zo al leest wat er allemaal kan gebeuren op een tuin dan zou je haast de moet opgeven, maar dit hoeft niet. Er zijn genoeg middelen om dit allemaal tegen te gaan.

Belangrijk om te weten : Flora- en faunawet

Bodemgezondheid

Een betere bodemgezondheid zorgt voor een betere weerbaarheid tegen ziekten en plagen. Meer informatie over bodemgezondheid vindt je onder andere door om de link hiernaast te kiezen Bodemziekten

Coloradokever (Leptinotarsa decemlineata)

Is een kever die behoort tot de familie van de bladhaantjes (Chrysomelidae). De kever wordt ongeveer een centimeter lang en lijkt door zijn bolle en ronde lichaam wat op een lieveheersbeestje. Het onderscheid is dat de coloradokever vijf zwarte strepen heeft op elk van de dikschilden, die verder een geel tot geeloranje kleur hebben. De soort is oorspronkelijk afkomstig uit zuidelijk noord/amerika en is meegereisd met de aardappelplant, toen die over een groter deel van de wereld verspreid raakte. Coloradokevers kunnen een geduchte plaag vormen voor de aardappelplant, met name de larven ervan zijn erg vraatzuchtig en kunnen aardappelvelden geheel ontbladeren.  De vrouwtjes leggen honderden eitjes en de larven zijn giftig, zodat ze weinig vijanden hebben.

Vuurwants

De vuurwants is een bontgekleurde soort die een overwegend helder rode kleur heeft met een karakteristiek patroon van zwarte lichaamsdelen en vlekken en hieraan is te herkennen. De wants komt in grote delen van Europa voor en is ook in België en Nederland te vinden. De wants is voornamelijk een planteneter die soms dode of levende insecten eet. De wants kan niet vliegen en is soms massaal aan te treffen bij lindebomen en andere favoriete voedselbronnen, vaak in bewoond gebied. Hij kan, in het nauw gedreven, steken en een onaangename geur verspreiden

Rupsen

Is een dagvlinder. De vlinder stelt geen specifieke eisen aan zijn leefgebied. De vlinder overwintert als pop en heeft 2 tot 3 generaties per jaar. De vliegtijd is van maart tot en met oktober. De vlinder heeft een temperatuur van minimaal rond de vijftien graden nodig. De eitjes worden in groepjes op de onderkant van de bladeren van onder andere kruisbloemigen zoals boerenkool en spruitkool. Na ongeveer 14 dagen komen de rupsen uit de eitjes. Eigenlijk zijn niet de vlinders zelf een “plaag” meer de rupsen van het koolwitje.

De rups vervelt vier keer. In het eerste stadium is de rups lichtgeel met een bruine kop. In het tweede stadium zijn de knobbeltjes bedekt met zwarte haren. De rupsen van het derde stadium zijn geler en hebben zwarte vlekken. De rupsen van het vierde stadium lijken veel op die van het derde stadium, maar zijn groter. De volwassen rups is groengeel met zwarte puntjes en een gele ruglijn. Na drie tot vier weken gaat de tot 40 mm lange rups zich verpoppen.

De rupsen kunnen een ware plaag vormen bij de teelt van kool. In korte tijd kunnen ze door hun vraat veel schade toebrengen. De rups weert zich tegen vijanden door uit de koolplanten zwavel in zijn lichaam op te slaan en zijn niet schadelijk voor de plant, maar veranderen in vervelende en/of gevaarlijke vluchtige stoffen als een rups aan de plant eet.

Wespenachtigen

De bekendste vertegenwoordiger van deze groep is de gewone wesp, die bekend is van een mooie zomermiddag in augustus. Deze is geel-zwart gestreept . Maar de superfamilie kent nog veel meer families van solitair tot sociaal en van specialist tot alleseter. Ook het voedsel voor de larven kan variëren van plantaardig materiaal tot dierlijk zoals vermalen insecten of levende prooi, sommige soorten worden zelfs gevoed door hun larven.De wespen die in de zomer zo hinderlijk rond je hoofd zoemen zijn werksters. Zij vliegen uit om eten te verzamelen als het wespennest is volgroeid, meestal eind juli. De wespen komen vooral af op zoetigheid. Zolang ze geen overlast bezorgen, hoef je ze niet te bestrijden. Wespen hebben namelijk ook nut: ze eten vliegen en muggen.

Hoornaars

De Europese hoornaar behoort tot de familie van wespen.( paardenwesp of hoorntor). De hoornaar is roodbruin van kleur en soms tot wel 4 centimeter lang. De steek van een hoornaar doet over het algemeen meer pijn dan die van een Wesp of Bij. Gelukkig is de hoornaar minder agressief dan de wesp en is de kans op steken eerder beperkt. De hoornaar komt niet snel in de buurt van mensen. In tegenstelling tot wat men beweert, is de hoornaar geen agressieve moordenaar voor de mens. De steek van een hoornaar is niet dodelijker dan een steek van de Wesp of de Bij. De hoornaar zal ook niet zonder reden steken als je ze ongemoeid laat. Hoornaars komen in de eerste plaats al minder in de buurt van mensen dan de gewone wespen en in de tweede plaats zijn ze veel minder agressief als mensen denken.Hoornaars zijn niet agressief en zolang u maar uit de buurt van hun nest blijft, zal er niets gebeuren. En in dit geval is het ook niet nodig om de hoornaars te bestrijden. Er weleens beweerd dat de steek van een hoornaar dodelijk zou zijn. Een steek kan wel echt gevaarlijk zijn wanneer er direct in een bloedvat wordt gestoken. Het gif van deze wesp is niet exact hetzelfde als het gif van de gewone wespen. Omdat hun gif een grotere hoeveelheid neurotransmitter bevat, voelt een steek van de hoornaar pijnlijker aan en ook zal het branderige gevoel langer aanhouden. Hoornaars eten insecten (zoals wespen en vliegen) die ze vermalen om te voeren aan hun larven. Hierdoor zijn ze zelfs nuttig in je tuin. Het nest van hoornaars zal je voornamelijk in holle boomholtes vinden. Ga nooit een nest van Hoornaars zelf bestrijden, maar roep hulP in.

Mollen

De mol leidt een solitair bestaan. Alleen in de paartijd vormen ze paartjes. Omdat hun territoria kunnen overlappen, communiceren mollen met elkaar door middel van geuren en geluiden.Er worden zowel oppervlakkige gangen (de jaaggangen of mollenritten) als dieper gelegen gangen (tot op een diepte van 120 cm) gegraven.In het voorjaar graaft het wijfje diep in de grond een centrale ruimte met verschillende gangen. De gangen zijn ongeveer 5 cm breed en kunnen tot wel 200 meter lang zijn. De uitgegraven grond wordt gedeeltelijk gebruikt om de wanden van de gangen en ruimtes mee te verstevigen, het overtollige wordt door de achterpoten naar achteren en naar boven gewerkt, waardoor aan de oppervlakte de molshopen ontstaan. Meestal monden hier ook de gangen van het gangenstelsel in uit. Deze uitgangen worden onder andere gebruikt om op het aardoppervlak nestmateriaal te verzamelen.

Regenwormen zijn het belangrijkste voedsel van de mol. Daarnaast eet hij bijna alle andere dieren die hij in zijn gangen aantreft. Engerlingen, maden en andere insectenlarven, duizend- & miljoenpoten, naaktslakken en andere weekdieren, enzovoort, soms  kikkers. In de herfst en winter legt hij voedselvoorraden aan. De mol verlaat zelden zijn gangenstelsel. Alleen om een nieuw territorium te zoeken, en een enkele keer om bovengronds insecten te vangen. De mol is ook een goede zwemmer. Hij is zowel overdag als ‘s nachts actief

Onder de grond heeft de mol geen vijanden, alleen zijn eigen soortgenoten. Boven de grond wordt de mol bejaagd door onder andere de uil, de buizerd, de blauwe reiger, de ooievaar, de wezel, de hermelijn en de vos. Andere doodsoorzaken zijn honger, droogte en verdrinking door overstromingen.

De mol wordt om twee redenen door de mens bejaagd. Hun vacht is geliefd om in kleding te worden verwerkt en wij zijn nietgecharmeerd van de gaten, gangen en molshopen op grasvelden. Volgens de nieuwe Flora- en faunawet in Nederland is de mol vanaf maart 2005 niet langer een beschermd dier.

Muizen

Er zijn diverse soorten muizen : Huismuis, Dwergmuis, Bosmuis, Veldmuis, Spitsmuis die je op ons complex kan tegenkomen. Muizen leven graag in open gebieden met grassen en/of granen, zoals graanakkers, wegbermen, dijken, slootkanten, graslanden en klavervelden. Ze leven het liefst in drogere streken met kort gras. De voortplantingsperiode is van het voorjaar tot de herfst. Een vrouwtje kan twee tot vier worpen per jaar krijgen. Na een draagtijd van 19 tot 21 dagen werpt het wijfje gemiddeld 5 à 6 jongen (maar kan variëren tussen de twee en de twaalf). Na 7 tot 11 dagen gaan de ogen open. Ze worden twintig dagen lang gezoogd. Na ongeveer dertig dagen zijn de jongen geslachtsrijp. De dieren hebben een redelijk korte levensverwachting van ongeveer 4 tot 24 maanden en de veldmuis kent vele vijanden.

Ratten

De bruine rat vestigt zich het liefst in een vochtige en niet te warme omgeving. De bruine rat voelt zich dus al snel ergens thuis, vooral in de buurt van de mens. Hij is vooral te vinden bij/ op/ in kelders, kruipruimten, schuren, stallen, vuilnisbelten, graan- en houtopslagplaatsen, aan de rand van sloten en dijken, onder de grond in uitgebreide holen en op sommige plekken in de buurt van riolen en ander vervuild water.  Een bruine rat die ‘s zomers in de natuur bij slootkanten leeft, trekt ‘s winters vaak naar de warmte van huizen.

Het territorium wordt meestal niet ver van de voedselbronnen gevestigd. Hij graaft een hol met een diameter van 65 tot 90 millimeter, vaak in een oever of onder een boomwortel, maar ook in de vlakke grond. Ook maakt hij nesten onder vloeren, in hooimijten, tussen muren en in andere holle ruimtes rond menselijke nederzettingen. Bij de ingang van het hol laat de rat meestal hopen aarde achter, die in de loop van de tijd vanzelf worden platgestampt. In open gebieden graven de dieren ondergrondse gangenstelsels, die zelden dieper gaan dan vijftig centimeter. Holen zijn bovengronds aan elkaar verbonden met paadjes.

een rat kan een gebied bestrijken van enkele vierkante kilometers bedragen. Op een nacht kunnen ze tot vier kilometer afleggen, waarbij ze zich meestal langs heggen en struiken bewegen. De grootte van dit gebied is omgekeerd evenredig aan het voedselaanbod en zal daarom in een stad veel kleiner zijn dan op het platteland.

De rat is voornamelijk ‘s nachts actief, enkele uren na zonsondergang en enkele uren voor zonsopgang. Ze kunnen echter ook overdag waargenomen worden, bijvoorbeeld als er ‘s nachts veel vleeseters actief zijn. Ook zullen ondergeschikte ratten, die door dominante ratten worden belemmerd ‘s nachts voedsel te zoeken, overdag vaker actief zijn, voornamelijk als er een hoge populatiedichtheid is.

De rat is een behendig zwemmer en is in staat om 77 centimeter hoog en 120 centimeter ver te springen. De rat eet alles, maar voornamelijk leeft van eiwit- en zetmeelrijk voedsel. Hij leeft onder andere van graan, zaden, slakken, larven, kikkers, jonge zoogdieren, vogeleieren en aas, maar zal ook aan botten knagen en aan andere ongewone producten zoals zeep en kaarsen.

Slakken

Veel op het land levende slakken eten voornamelijk planten, maar vele soorten eten ook aas, paddenstoelen en schimmels. Veel soorten zijn belangrijke opruimers die ten onrechte als schadelijk worden gezien. Sommige naaktslakken eten ook wel andere dieren, waaronder andere naaktslakken. Slakken hebben een rasp-achtige mond, genaamd radula, die bestaat uit vele duizenden kleine hoornachtige tandjes. Hiermee worden dunne laagjes weefsel van het voedsel geschraapt. De grootte, vorm en aantal tanden is dan ook aangepast op het voedsel van de slak.
Vijanden van landbewonende slakken zijn vooral vogels zoals lijsters, vooral de zanglijster is dol op slakken en laat soms ware kerkhoven van gebroken huisjes achter. Ook sommige andere dieren eten slakken, en zijn er meestal in gespecialiseerd vanwege het niet eenvoudig te kraken huisje. Voorbeelden zijn sommige slangen en hagedissen en een aantal insectenlarven, zoals die van veel loopkevers maar ook duizendpoten, kikkers en padden en egels lusten graag slakken. Sommige dieren eten liefst naaktslakken, andere hebben liever huisjesslakken

In Nederland leven veel slakkensoorten, waarvan de meeste jouw planten niet interessant vinden.Zij houden je tuin dus juist schoon door verrotte plantenresten op te eten. Huisjesslakken eten alleen dode bladeren en doen geen kwaad in je tuin, behalve de segrijnslak. Verder zijn het vooral naaktslakken (bijvoorbeeld de wegslak en de gevlekte akkerslak) die wél graag van levende plantenbladeren eten. Sommige grote naaktslakken eten dagelijks wel de helft van hun lichaamsgewicht.

Schimmels/ Sporen

Zwakke planten, verkleurde bladeren, of vreemde spinsels? Misschien is jouw plant ziek, maar een gebrek aan voedingsstoffen of licht kan ook de oorzaak zijn. Stel dus eerst een diagnose en kies daarna het bijbehorende ‘medicijn’. Schimmels gedijen in een vochtige omgeving. Zo herken je schimmelsoorten :

  • Roesschimmel  (Oranje vlekjes op het blad)
  • Echte Meeldauw  (Witte wollige plekjes op de bovenkant van het blad)
  • Valse Meeldauw (Bleekgele vlekken bovenop het blad en wit poederig pluis eronder)
  • Sterrevoetdauw (rozen), Gele en zwarte vlekken op het blad, uiteindelijk valt het af
  • Smeul omgevallen en dode kiemplantjes

Knolvoet

Plasmodiophora brassicae) is een van de belangrijkste ziekten bij koolsoorten. Aan de wortels ontstaan onregelmatige zwellingen en het blad krijgt een loodachtige kleur. In een later stadium gaat de plant slap hangen. Knolvoet is chemisch niet te bestrijden. Ter voorkoming van besmetting moet een zeer ruime vruchtwisseling van 4 tot 7 jaar worden aangehouden en moeten ook de kruisbloemige onkruiden, zoals herderstasje, in andere gewassen goed bestreden worden. Ook kan op kleigrond knolvoet tegengegaan worden door de pH te verhogen, bijvoorbeeld door het toevoegen van kalk. De vroege teelten hebben minder last van knolvoet, omdat de grondtemperatuur dan nog relatief laag is. Knolvoet kan bij temperaturen tussen 10 en 35°C groeien, maar ontwikkelt zich pas goed bij een grondtemperatuur van boven 15°C. De optimale temperatuur voor knolvoet is tussen 20 en 25°C.
Verder houdt deze ziekte van een natte grond en een lage pH. Eenmaal besmette grond wordt nooit meer knolvoetvrij, omdat de rustsporen nooit hun kiemkracht verliezen.

Aardappelziekte(fytoftora)

Is een plantziekte die veroorzaakt wordt door de oömyceet Phytophthora infestans. Deze ziekte veroorzaakt knolrot en een bruinverkleuring en afsterving van de bladeren en stengels. Op tomaat kan deze ziekte voor vroegtijdige afsterving zorgen. Aardappelen en tomaten staan bekend om hun gevoeligheid voor deze ziekte. Ook andere planten uit dit geslacht kunnen gevoelig zijn.
Voor al in koude natte zomers veroorzaakt deze ziekte veel schade.
Gewoonlijk overwintert de ziekte in besmette knollen die achterblijven op het land. Daarom is het belangrijk dat er geen aardappelknollen in het land of op afvalhopen blijven liggen. Uit de geïnfecteerde knollen ontwikkelen zich planten die de ongeslachtelijke sporen (sporangia en zoösporen) opleveren. Uit deze sporen kunnen nieuwe infecties ontstaan als het gewas ten minste gedurende vier à acht uur nat blijft, de zogenaamde bladnat-periode, bij een relatieve luchtvochtigheid van meer dan 95%. Na infectie ontstaan bij een temperatuur van 12-24 graden Celsius binnen enkele dagen met het oog waarneembare symptomen op bladeren en stengels. Na binnendringing van de oömyceet in de plant duurt het 3 tot 5 dagen voordat er nieuwe sporen gevormd worden.

Luizen

Herken je aan de vieze, plakkerige plekken op een plant. De beestjes leven namelijk van plantensappen. De suiker (honingdauw) die daarin zit, scheiden ze af als een plakkerig goedje. Groene en zwarte luizen zitten vaak op jonge scheuten, andere luizen eten bij voorkeur van de stam of takken.

Mijten

Laten doffe bladeren achter, soms met spinseldraden aan de onderkant. Het zijn kleine spinachtige beestjes die veel voorkomen op coniferen en lindebomen.

Vogels

Vogels zijn onmisbaar in de natuur en verdienen onze bescherming.
De vrolijke fluiters eten slakken en insecten en houden zo plagen in toom. Maar soms geven ze ook overlast.
Bij ons zijn het vooral duiven, merels, spreeuwen, mussen, die het vooral gemunt hebben op fruit en groenten of nestelen daar waar wij ze niet willen hebben

Website design by SiteRefresh.nl