Tuinbeestjes

Op ons komplex is een diversiteit aan dierlijk leven te vinden, naast de bijen, andere kruipend of lopende dieren (al dan niet gewenst), zijn er ook nog vlinders en vogels. We zien ze nogal eens als lastig omdat ze aan groenten en fruit komen , maar met wat oplettendheid en hulpmiddeltjes kan je dit voorkomen. Tenzij je natuurlijk het niet erg vindt dat er van jouw groenten gegeten wordt. Vergeet ook niet dat alle diertjes ook hulpjes kunnen zijn bij onze hobby. (het ene beestje leeft van andere beestjes, toch.

Vlinders

Niet alle vlinders zijn genoemd hieronder. Dit jaar eens even goed opletten over er nog meer soorten voor komen bij ons.

Koolwitjes bezoeken graag bloemen en vliegen in twee of meer generaties per jaar. Sommige soorten kunnen grote afstanden afleggen en vooral het groot koolwitje wordt geregeld in grote groepen trekkend waargenomen. De rupsen zijn doorgaans groen maar soms juist zeer opvallend gekleurd. Ze zijn bedekt met korte haartjes. Vrijwel alle soorten leven op kruisbloemigen of vlinderbloemigen. Vlinders uit de familie van de witjes zijn overwegend wit of geel gekleurd en het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is vaak vrij gemakkelijk aan de tekening op de vleugels te bepalen. De vleugelschubben bevatten pterine, dat niet alleen een kleurpigment is, maar ook dient als vraatwerende stof. Witjes zijn daardoor niet erg geliefd bij vogels.

De Kleine vos is een zeer mobiele vlinder die vele tientallen kilometers kan vliegen, De kleine vos is tot 22 mm groot; lichaam zwart met zeer fijne, witte stipjes en aan weerszijden twee gebroken lengtestrepen, waaronder het lichaam een purperachtig bruine kleur heeft; soms een aantal roodachtig bruine vlekjes tussen de gele lengtestrepen; sommige vormen zijn met geel overdekt; de doorns langs de rug en op de flanken zwart of geelachtig; kop zwart. De rupsen leven op jonge brandnetels die op droge plaatsen in de volle zon groeien

De Dagpauwoog overwintert als vlinder op een donkere, koele en beschutte plek, zoals een holle boom of een schuur. Op zonnige voorjaarsdagen in februari komen de eerste vlinders weer te voorschijn. Aanvankelijk zoeken ze uitsluitend naar nectar van onder andere sleedoorn, klein hoefblad en paardebloem. In het najaar zijn geschikte nectarplanten bijvoorbeeld koninginnenkruid, akkerdistel en vlinderstruik. Doorgaans is de dichtheid tot zo´n 12 individuen per hectare, maar op plaatsen waar veel nectarplanten staan kunnen honderden vlinders tegelijkertijd worden gezien en de dichtheid kan daar oplopen tot meer dan 80 individuen per hectare. In het voorjaar verdedigt het mannetje´s middags een territorium van enkele tientallen vierkante meters en vliegt daarbinnen regelmatig op en neer. In de regel is er een opvallend punt in het territorium aanwezig, zoals een grotere boom. Meestal houdt de bezitter het niet lang bezet en de meeste territoria veranderen dagelijks van eigenaar.

Vogels

Hieronder enige vogelsoorten welke regelmatig ons complex bezoeken of aanwezig zijn. . Vogels zijn nuttig omdat zij allerlei rupsen, luizen, etc eten.

De roodborst of het roodborstje is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Hij waagt zich dicht bij huizen, vooral ‘s winters. Verder is het een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen. Het is een vrij gedrongen vogeltje en zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een opvallende bruinrode tot oranje keel. De staart is roodbruin, de rug bruin en de buik lichtgekleurd. De zang is het hele jaar te horen. Hij begint s’ochtends te zingen als het nog donker is. Bij gevaar stoot hij de kreet ‘tsik’ uit. Een bijzonderheid van de roodborst is dat ook de vrouwtjes zingen, vooral in de herfst. Jonge vogels hebben een gespikkelde kop en borst. Het vogeltje is 14 cm lang. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes heel agressief. Zowel in de zomer als in de winter verdedigen zij hun territorium fel. Het roodborstje eet voornamelijk op de grond levende insecten (vooral kevers) en slakken, wormen en spinnen. Van de herfst tot vroeg in de lente vormen wormen, fruit en bessen een belangrijk deel van zijn dieet.

De huismus is 160 tot 165 mm lang en weegt 24 tot 39,5 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en grijze wangen, een zwarte keel en borst, een zwart masker met witte stip achter het oog, een witte streep over de vleugels en in het broedseizoen een zwarte snavel. Het vrouwtje heeft een minder contrastrijke tekening dan het mannetje, een lichte oogstreep, enige tekening op rug en vleugels en een effen lichtgrijze/bruine borst. In de ruitijd is hun verenkleed soms nauwelijks meer te herkennen als van een huismus. Volwassen huismussen zijn graan- en onkruidzadeneters en passen zich gemakkelijk aan aan wat beschikbaar is. Granen als haver, tarwe en gerst hebben de voorkeur. Omdat huismussen geen kiezen hebben wordt voor de vertering van de zaden grit gebruikt. Ook eten huismussen groenten, in de vorm van bladeren van diverse planten en gele krokus, en fruit zoals appels. Jonge huismussen worden door de ouders vooral gevoerd met insecten zoals vliegen en muggen. Huismussen bijvoeren kan in principe het hele jaar door. Bijvoorbeeld met duiven- of kippenvoer, zoals het goedkope gemengd graan met gebroken mais. Oud brood is niet zo geschikt vanwege het extra zout dat daaraan wordt toegevoegd.

De koolmees (Parus major) is een zangvogel uit de familie van echte mezen. Volwassen koolmezen zijn circa 14 centimeter groot, hebben een spanwijdte van 22,5-25,5 centimeter en een gewicht van gemiddeld 17 gram. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst en daarop overlangs een zwarte band. Mannetjes zijn te herkennen aan de duidelijk bredere zwarte band, maar ook aan de grotere hoeveelheid zwart tussen de poten en meer glans op de kop. De koolmees is de grootste soort mees, De roep van de koolmees klinkt als péh-puuh wat vergelijkbaar is met de sirene van een politieauto. De zang is een hoog si si sirrr en lijkt iets zachter dan die van de pimpelmees. De vlucht van de koolmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In grote bogen vliegt de koolmees door de lucht, afwisselend wordt met de vleugels geslagen en gezweefd. Koolmezen leven vooral in bosrijke gebieden, maar ze zijn ook heel vaak te zien in tuinen met veel groene voorzieningen. Koolmezen bevinden zich het meest in het struikgewas, tussen houtwallen en houtsingels en eigenlijk overal waar bomen te vinden zijn. Koolmezen zijn niet schuw en eten soms pinda’s uit de hand. De gemiddelde maximumleeftijd van een koolmees in goede levensomstandigheden bedraagt ongeveer 10 jaar. Koolmezen zijn uitzonderlijk baldadig, maar ook nuttige dieren voor liefhebbers van fruitbomen en grote fruitgewassen. Vele koolmezen zullen namelijk vruchten en bladeren aan gewassen doorzeven om rupsen op te pikken. Ze kunnen grote aantallen rupsen wegvangen op een biologische manier maar dit gaat natuurlijk wel ten koste van de vruchten en bladeren die op hun beurt ook weer erg belangrijk zijn voor de oogst en de plant

De pimpelmees (Cyanistes caeruleus) is een mees die in vrijwel heel Europa regelmatig voorkomt.  Het zijn slimme, behendige vogels die graag afkomen op in de tuin opgehangen voedsel. Volwassen pimpelmezen zijn circa 12 centimeter groot met een spanwijdte van 17-20 centimeter en een gewicht van ongeveer 12-15 gram, dit is kleiner dan de koolmees. De pimpelmees heeft een vrij herkenbaar verenpak met zijn kobaltblauwe kruin, staart en vleugels die duidelijk afsteken tegen het geel van zijn onderkant. Het verschil tussen mannetje en vrouwtje is vrijwel niet waar te nemen. . De roep van de pimpelmees klinkt als tsi tsi tsit, de zang is een hoog si si sirrr, gevolgd door bellende geluiden, en lijkt iets feller dan die van de koolmees. De vlucht van de pimpelmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In boogjes zweeft hij door de lucht, in de tussenpozen slaat hij met de vleugels. Pimpelmezen leven vooral in bosrijke gebieden en tuinen met veel groen. De vogels zijn vooral tussen struikgewas, houtwallen en houtsingels te vinden. Ze voelen zich overal waar bomen staan thuis. Pimpelmezen zijn schuwer dan koolmezen. De gemiddelde levensduur van een pimpelmees in goede leefomstandigheden bedraagt ongeveer drie jaar, met weinig roofdieren en zachte winters kan ook een leeftijd van acht jaar worden bereikt. Pimpelmezen kunnen behulpzaam zijn voor eigenaren van fruitbomen en grote fruitgewassen omdat ze de bladeren van deze gewassen ontdoen van onder andere bladluizen. Op die manier vormen ze een biologische bestrijding van bladluizen. Er treedt daarbij vaak wel mechanische schade aan het blad op. Verder eten zij voornamelijk insecten en hun larven, spinnen, nectar en zaden.

De buizerd is verreweg de algemeenste en meest opvallende roofvogel van Nederland, die je vaak in open land ziet, zittend op een paal of schroevend op de thermiek. Buizerds zijn erg gevarieerd qua kleur en tekening. Van donkerbruin tot bijna wit. Hij heeft zich de laatste decennia sterk uitgebreid als broedvogel en broedt ook in de lage delen van Nederland.  Vliegt met relatief snelle, ondiepe en ietwat stijve vleugelslagen. Vaak cirkelend te zien en dan worden de vleugels in een ondiepe V gehouden. Opportunistisch in voedselkeuze. Vooral kleine zoogdieren, zoals woelmuizen (in Nederland veel veldmuis, rosse woelmuis) en jonge konijnen. Ook regenwormen, kevers, amfibieën, jonge vogels en aas. Over het algemeen geen snelle jager, maar kan soms vogels en volwassen konijnen pakken. Jaagt vooral vanaf zitplaats laag boven de grond. Bidt ook, vooral in de zomer in open gebieden.

De houtduif is de grootste en ook de meest voorkomende duif van Nederland. Hij komt in steden voor in tuinen en parken maar ook in het buitengebied op akkers. Meestal zijn ze op de grond naar voedsel aan het zoeken of zitten ze in een boom luid te koeren. Bij het opvliegen maken ze nogal wat kabaal doordat de vleugels boven en onder het lichaam tegen elkaar klappen. Op het menu staat voornamelijk plantaardig materiaal, zoals zaden, knoppen en bladeren. Net als oogstresten (granen) zijn deze te vinden op akkers, maar ook in de bebouwde omgeving is voldoende voedsel te vinden. Zoals in tuinen, maar ook rondslingerende etensresten zijn in trek. Jongen worden de eerste week gevoed met ‘duivenmelk’ uit de krop van de ouders.

De merel is de meest algemene en een van de bekendste broedvogels van ons land, zelfs de talrijkste broedvogel van Nederland. Recentelijk lijkt er in het stedelijk gebied een lichte afname. Of het voor mensen ongevaarlijke usutu-virus daarbij een rol speelt, moet nog worden uitgezocht. Merels zijn luidruchtig. Als er een kat in de buurt is, waarschuwen ze langdurig met hun luide alarmroep andere dieren. De nesten zijn vaak makkelijk te vinden waardoor veel eieren en jongen aan katten en kraaien ten prooi vallen. Ondanks die verliezen zijn de merels nog steeds zeer talrijk: ze compenseren dit natuurlijke verlies door veel jongen groot te brengen. De merelman brengt in het voorjaar een fraai lied ten gehore vanaf een hoge plek. Het voedsel bestaat uit wormen, insecten, bodemdiertjes, bessen en fruit.

Volgens Onno heeft hij bij zijn vijver op de tuin wel eens een ijsvogel gezien, die het gemunt heeft op zijn goudvissennakmelingen. Een blauwe flits en een fluitende roep: zo kondigt een ijsvogel zich vaak aan. IJsvogels zijn vooral vogels van beken en rivieren met zoet, stromend water, maar broeden ook aan stilstaand water (vooral in Nederland). Hun nesttunnel graven ze zandige of lemige steile oeverranden. ‘s Winters ook te zien bij meer open en brak of zoute water, op zoek naar voldoende voedsel – kleine visjes, waterinsecten en dergelijke – en ijsvrij, helder water om dat voedsel te kunnen bemachtigen. Strenge winters maken veel slachtoffers onder de ijsvogels. De ijsvogel eet het liefst visjes, maar ook waterinsecten zoals libellenlarven. Vissen worden mee naar de zitpost genomen en daar eerst tegen een tak geslagen voordat ze worden doorgeslikt. Jaagt vanaf een zitpost en bidt ook regelmatig. Duikt in het water om zijn prooi te pakken.

Vos

Volgens sommige tuinders wil er nog wel eens een jonge vos langs komen welke op zoek is naar een nieuw territorium.
De vossenvacht is over het algemeen roodbruin, maar kan ook beige tot helderrood zijn, of zilverkleurig tot zwart (vooral in de bergen). Ook albino’s komen voor. De oren zijn aan de achterzijde zwart, evenals de “sokken”, de onderbenen. Sommige dieren hebben een witte staartpunt; veel vossen hebben in ieder geval enkele witte haren rond het puntje van de staart. De bovenlip is wit, evenals de bef. Op de wangen zit bij veel vossen een zwarte of bruine “traandruppel”. Sommige dieren hebben een staalgrijze keel en buik, met een witte ster op de borst. In de paartijd heeft het vrouwtje, de moervos, een roze glans over de vacht aan de onderzijde. De vos heeft een slanke snuit en puntige rechtopstaande oren. De staart is lang, dik en ruig. Hij heeft een schouderhoogte van 35 tot 40 centimeter en staat hoog op de poten. Hij heeft een kop-romplengte van 58 tot 90 centimeter met een staart van 32 tot 48 centimeter. Hij weegt zes tot tien, soms vijftien kilogram. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes.Vossen jagen alleen meestal ‘s nachts en in de schemering, maar in onverstoorde gebieden jaagt hij liever overdag. De vos eet bijna alles. Hij kan hard rennen, tot zestig kilometer per uur, alhoewel zes tot dertien kilometer per uur de normale snelheid is.Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren, zoals grote kevers, muizen en andere knaagdieren, konijnen, hazen, vogels en eieren, regenwormen en egels. Ook vruchten en bessen (vooral bramen) worden gegeten, evenals aas, en afval. De vos negeert kikkers en padden en vindt mollen en spitsmuizen niet lekker. Dagelijks moet een vos ongeveer vijfhonderd gram aan voedsel binnenkrijgen. Een vos doodt soms meer dan hij nodig heeft. Vooral op plaatsen waar meerdere prooidieren op elkaar zitten en niet kunnen ontsnappen, kan hij een ware slachtpartij aanrichten, bijvoorbeeld in kippenhokken.Voedselresten worden begraven en later weer opgezocht, maar de vos legt geen voedselvoorraden aan. Een vos is meestal zeer succesvol in het terugvinden van begraven voedsel.

Egel

De egel is vooral bekend om zijn stekelvacht en zijn gewoonte om zich bij gevaar op te rollen. De egel heeft een leeft alleen.  Een groepje egels bestaat meestal uit een moeder met jongen. Hij is niet territoriaal: leefgebieden overlappen geregeld. Ook lijken egels hun gebied niet te verdedigen tegen andere egels. Egels die in hetzelfde gebied leven, mijden elkaar meestal door op verschillende tijdstippen op dezelfde plek te komen. Het leefgebied van een mannetje is groter dan dat van een vrouwtje, tot wel vijf keer zo groot. Hij legt hierdoor ook dagelijks grotere afstanden af dan een vrouwtje, vijfhonderd meter tot drie kilometer per nacht. Ook maakt hij gebruik van meerdere nesten, terwijl een vrouwtje vaak aan één nest genoeg heeft.

De grootte van het leefgebied van een egel is bovendien afhankelijk van het aanbod aan voedsel. In open graslanden, waar de voedseldichtheid laag is, kan het leefgebied van een mannetjesegel wel dertig hectare beslaan. Dit is ook te zien in de dichtheid per hectare: in de meeste gebieden leven ongeveer twee egels per hectare. In buitenwijken, die rijk zijn aan tuinen, kan de dichtheid echter zeer hoog zijn, met veel dieren per hectare. Hier heeft ieder individu een leefgebied van slechts vijf tot tien are. De egel houdt een winterslaap. Hij kan slecht tegen de kou; de stekelvacht isoleert niet, waardoor een egel niet lang blootgesteld kan worden aan temperaturen lager dan 12 °C. Bovendien zal een egel weinig voedsel vinden, aangezien zijn belangrijkste prooidieren, insecten en andere ongewervelden, vanaf het najaar steeds schaarser worden. De winterslaap duurt in gematigde streken ongeveer van oktober tot maart of april.  Om zich voor te bereiden op de winterslaap legt de egel vanaf juli een vetvoorraad aan in de vorm van onderhuids vetweefsel. Dit bestaat uit wit vet, bedoeld om de winterslaap door te komen, maar ook uit bruin vet. Dit bruine vet, de ‘winterslaapklier’ genoemd, bevindt zich bij de schouders en wordt pas aangewend in het vroege voorjaar, bij het ontwaken. Is de vetvoorraad te karig, dan kan het dier bij dalende temperaturen zijn lichaam niet warmhouden en zal het sterven.

De egel is een insecteneter, die zijn voedsel voornamelijk in de ondergroei zoekt. Met zijn snuit spoort hij zijn prooien op tussen afgevallen bladeren, graspollen en losse aarde, terwijl zijn gehoor scherp genoeg is om prooidieren onder de grond te horen kruipen. Als hij de kans krijgt kan een egel binnen een paar uur meer dan tachtig regenwormen en/of kevers eten en ongeveer zeventig gram aan voedsel in een nacht verorberen. Vijftig gram is meer dan genoeg. Het dieet is afhankelijk van het seizoen. In het voorjaar eten egels voornamelijk regenwormen, rupsen en kevers, maar in de zomer en het najaar voornamelijk wormen, slakken en mest- en aaskevers. Kevers worden eerst doodgebeten voordat ze worden opgegeten. Wormen worden levend gegeten. Ook insectenlarven, oorwormen, duizendpoten en pissebedden worden veelvuldig gegeten. Bij keus heeft hij liever wormen en rupsen dan hardere zoals mestkevers. Bij slakken heeft hij een voorkeur voor kleinere, die hij in een keer kan doorslikken. Grotere huisjesslakken worden niet gegeten, waarschijnlijk omdat zij de stevige slakkenhuizen niet kunnen kraken. De egel eet alles. Hij vult zijn dieet aan met spinnen, kleine gewervelde dieren zoals kikkers, padden, hagedissen, slangen en jonge vogeltjes en kleine zoogdieren zoals knaagdieren, spitsmuizen en mollen. Verder staan op zijn menu ook eieren – met een doorsnede tot 15 mm, aas, visresten, paddenstoelen, bessen en vruchten. Waarschijnlijk jaagt de egel meestal niet actief op kleine gewervelde dieren, maar worden zij als aas gegeten. In extreme omstandigheden doodt de egel zelfs levende kippen en kuikens. Naarmate de egel ouder wordt, verandert zijn dieet. Oudere egels hebben geleerd om efficiënter te foerageren. Zij richten zich op grotere insecten dan jongere dieren Bij het foerageren op kevers en larven doorzoeken egels soms ook paardenvijgen en koeienmest. De egel is beter bestand tegen verscheidene soorten gif dan veel andere dieren.

Website design by SiteRefresh.nl